Ik was het vertrouwen kwijt. Niet alleen in de hulpverlening, maar ook in mezelf. Elke keer als ik weer hoop had, kwam er wel iets tussen. Een wachtlijst, een afwijzing, een traject dat eindigde voordat het goed en wel begonnen was.
Na al die jaren wist ik niet meer wie mij nog zou kunnen helpen. Ik had alles geprobeerd. Dacht ik.
De eerste keer dat ik hulp zocht, was ik begin twintig. Nu ben ik veertig en ik heb meer dossiers dan verjaardagskaarten bewaard. Ik heb aan tafels gezeten waar mensen over mij praatten alsof ik er zelf niet bij was. Ik heb plannen ondertekend waar ik niks van begreep. En ik heb vooral heel vaak gedacht: het ligt aan mij.
Op een gegeven moment raakte ik eraan gewend om niet veel te verwachten. Ik hield m’n verhaal kort. Liet dingen weg. Dat was makkelijker. Minder confronterend ook. Maar van binnen groeide het gevoel dat niemand echt ging begrijpen hoe ingewikkeld het voor mij was.
Tot iemand van maatschappelijk werk me TOF aanraadde.
Ik weet nog dat ik me had voorbereid op weer zo’n standaardgesprek. Kort, strak, lijstje erbij. Maar zo ging het niet. De vrouw van TOF keek me aan en zei: "We gaan samen kijken wat voor jou werkt. Jij bepaalt waar we beginnen."
Ik wist even niet wat ik moest zeggen. Niet omdat ik geen verhaal had, maar omdat niemand het me eerder zó had gevraagd.
"Ik dacht dat ik alles al geprobeerd had. Maar niemand had me eerder echt gevraagd wat ik zelf wilde."
Bij TOF voelde ik me geen dossier. Geen casus. Geen lastige klant. Ik werd gewoon behandeld als mens. Met alles wat ik meebracht. Alles wat ik al geprobeerd had. En alles waar ik nog niet aan toe was.
Ze wilden weten wie ik was, niet alleen wat ik had meegemaakt. Dat maakte het verschil. Ik hoefde niets mooier te maken dan het was. En toch voelde ik me voor het eerst in lange tijd hoopvol.
Ik kreeg niet ineens een team van acht mensen over me heen. We begonnen klein. Eén begeleider, één gesprek tegelijk. Geen haast, geen druk. Maar wel duidelijkheid, structuur en betrokkenheid.
En ik mocht altijd zeggen wat ik wel of niet wilde. Dat was nieuw voor mij. En ergens ook spannend. Maar ze hielpen me om keuzes te maken zonder het van me over te nemen.
Langzaam maar zeker begon ik dingen op te pakken. Dingen die ik jaren had uitgesteld. Omdat ik voelde dat ik er niet alleen voor stond. En omdat ik eindelijk iemand had die wél bleef.
Als je al zoveel hebt meegemaakt in de hulpverlening, ga je vanzelf minder hopen. Je gaat kleiner denken. Beschermend. Je zegt sneller “laat maar” of “het helpt toch niet”.
Maar als er één ding is dat ik geleerd heb bij TOF, dan is het dit: er is altijd een vorm van hulp die past. Niet omdat jij je moet aanpassen, maar omdat er mensen zijn die zich aan jou willen aanpassen.
TOF is er voor jou, als het ingewikkeld is. Als het veel is. Als je denkt dat niemand je meer begrijpt. En ze doen dat zonder oordeel, zonder haast, zonder dat ze het van je overnemen.
Gelukkig kwam ik bij TOF terecht. En nu ben ik onderweg. Op mijn manier.